Alhoewel het verder uitwerken van de binnengemeentelijke decentralisatie geen districtsbevoegdheid is, krijgt dit punt om evidente redenen een prominente plaats binnen het verkiezingsprogramma.
De voorbije vijf jaar hebben ons immers geleerd dat de decentralisatie een goede beslissing is geweest, maar dat de praktijk heeft uitgewezen dat er toch nog een aantal onvolkomenheden zijn. Alhoewel echte conflicten tussen de beide politieke niveaus beperkt zijn gebleven, leidt het spreiden van bevoegdheden tussen stad en district soms tot onduidelijkheid.
Het kunstmatige onderscheid tussen zogenaamde lokale en bovenlokale straten – zoals dat in het begin van de legislatuur van kracht was – is gelukkig verdwenen, wat zowel voor de politiek als voor de burger een goede zaak is. Daarenboven werd het budget openbare werken tegelijkertijd substantieel verhoogd.
Toch is er soms nog overlapping tussen de beleidsdomeinen openbare werken, mobiliteit en ruimtelijke ordening. De heraanleg van een straat of plein (= districtsbevoegdheid) kan een grote impact hebben op de mobiliteit in die straat (= stedelijke bevoegdheid). Omgekeerd kunnen grote, stedelijke projecten een wijziging in de verkeersafwikkeling van een wijk veroorzaken of ze kunnen nieuwe verkeersstromen genereren waarvoor bepaalde straten niet geschikt zijn. Een betere coördinatie hieromtrent is dus nodig.
Een tweede punt dat in de volgende legislatuur zeker onder de loep moet worden genomen is de aansturing van het personeel. Het personeelsbeleid is tot op heden een stedelijke bevoegdheid. Dit betekent dat de districten voor het invullen van het personeelskader in wezen volledig afhankelijk zijn van de goede wil van de schepen van personeel. Daarenboven stelt men vast dat bepaalde diensten in de stad Antwerpen nog steeds een haast exclusief centralistische reflex hebben. Dit impliceert in de dagelijkse praktijk dat men niet of nauwelijks rekening houdt met de opdrachten die door de districtscolleges worden gegeven. Nochtans zouden de districtscolleges binnen het kader van hun wettelijke bevoegdheden het personeel rechtstreeks moeten kunnen aansturen. De districtsbesturen zijn rechtstreeks verkozen politieke organen en hebben aldus de legitimiteit om opdrachten aan de administratie toe te vertrouwen. Het is daarom in de toekomst niet langer aanvaardbaar dat stadsdiensten of stedelijke ambtenaren opdrachten van de districtscolleges naast zich neerleggen.
Tot slot moet gesteld worden dat er niet onmiddellijk vraag bestaat naar het uitbreiden van de bevoegdheden, maar dat de reeds aan de districten toegewezen bevoegdheden optimaal moeten kunnen ingevuld worden door de districtsbesturen. Dit impliceert een perfecte medewerking van stadsdiensten. Het overdragen van stedelijke bevoegdheden naar de districten of het uitbreiden van reeds bestaande districtsbevoegdheden moet steeds gepaard gaan met de overdracht van of de verhoging van de bijhorende financiële middelen.
|
De binnengemeentelijke
decentralisatie moet verder worden uitgewerkt. Niet zozeer een uitbreiding
van de bevoegdheden is daarbij prioritair, maar wel het verfijnen van de
reeds bestaande bevoegdheden. Essentieel daarbij is een goede
ondersteuning vanuit de stedelijke diensten die de rechtstreeks verkozen
districtsbesturen als gelegitimeerde opdrachtgevers moeten aanvaarden. |